Begraaf ‘m maar

Dinsdagochtend, tussen 8 en half 9. Ik ben met mijn dochter naar de huisarts geweest en fiets door het buitengebied terug naar mijn minidorp. Ik mijmer een beetje over wat de dag mij brengen gaat. Dat stopt plotseling als ik op de weg een roerloze kat zie liggen. Zwart-wit! Mij hart slaat over, ik zet mijn fiets in de berm en kijk. Dood, zoveel is zeker. Zijn ene pootje ligt er heel raar bij en er stroomt een dun straaltje bloed uit zijn bek. Vanaf de andere kant komt een moeder met haar twee kinderen aangefietst, het blijkt een dorpsgenoot. “Ik denk dat het Splinter is” zeg ik. “Zou hij zo ver van huis zijn geweest?”

Dode kat onder mijn arm

Besluiteloos kijk ik naar de kat, in een impuls raap ik hem op. Hij is nog warm, het moet net gebeurd zijn. Wat ben je voor mens als je een dier doodrijdt en niet de moeite neemt om hem even in de berm te leggen? Een kwartier later, en ik had hem van het wegdek kunnen schrapen. “Ik neem hem mee” zeg ik. “Ik ga lopend verder.” Bijna drie kilometer, fiets aan de hand, kat in mijn arm. Zo stil, zo slap, maar nog steeds warm. Ik denk aan hem als klein katertje, ik kreeg hem van een collega acht jaar geleden. Het is een echte buitenkat, maar gisterenavond kwam hij uitgebreid op mijn schoot liggen. In een koninklijke krul, kop tussen zijn poten, met een soort glimlach op zijn snuit.

Is hij het echt?

Hij wordt zwaar, ik neem hem in mijn andere arm en zie ineens onderaan zijn rechtervoorpoot een zwarte vlek. Heel even twijfel ik. Heeft Splinter dat eigenlijk wel? Ik loop het dorp in en hoop dat ik niemand tegen kom met mijn droeve last. Thuis komt onze andere kat ons tegemoet. Ze kijkt niet eens naar wat ik in mijn armen heb en rent naar de achterdeur. Brokken! Ik leg de kat in een doos in de schuur en ga eerst met de honden lopen. Rust in mijn kop. Deze dag wacht ik nog af of Splinter terugkomt, dan weet ik het zeker. En mijn man en de kinderen moeten afscheid kunnen nemen.

Een van de twaalf

Nog geen uur later zit Splinter luid miauwend bij de achterdeur. Brokken! Ik geloof mijn ogen niet… Van wie is dan de kat die ik heb meegenomen? Ik bel naar de boerderijen het dichtst in de buurt. Het tweede telefoontje is al raak. De eigenares is niet zo onder de indruk, het is een van haar twaalf katten. En nee, ze hoeft hem niet terug; wat heeft ze aan een dode kat? “Begraaf ‘m maar” zegt ze. Ik ben sprakeloos. Aan de man bij de milieustraat vertel ik nog één keer het verhaal. Hij kijkt me aan, knikt begrijpend. Sentimenteel mens, zal hij denken.

Opgedragen aan onze eerste kater Splinter (2004-2016). Op dit moment hebben we nog twee katten op het erf: Seppe (14 jaar) en Booboo (5 jaar, gevonden in het bos). Ze zijn allebei echte boerderijkatten en daarom nogal op zichzelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *